Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen
In het (sinds zijn afkondiging eind 1992 diverse malen gewijzigde) Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen staan enkele bepalingen die voor de dierlijk-vetsector relevant zijn.
Artikel 9 bepaalt onder meer dat olie en vet bestemd voor het bakken of frituren van eetwaren niet meer dan 16% dimere en polymere triglyceriden mag bevatten (lid 1), dat bij de bereiding van eet- of drinkwaren geen oliën en vetten mogen worden gebruikt die zijn verkregen bij de destructie van dierlijk materiaal (opwaardeerverbod) dan wel zijn bereid uit afval verkregen bij de raffinage van vetten of in afvalwater-reinigingsinstallaties (lid 2), dan wel zijn verontreinigd met stoffen die met oliën en vetten reageren of bij normale raffinage niet verwijderbaar zijn (lid 3).
Ook wordt bepaald, in artikel 11, dat het erucazuurgehalte in eet- of drinkwaren, als percentage van het totale gehalte aan vetzuren, niet meer mag bedragen dan 5 procent. Deze bepaling is gebaseerd op de Europese Richtlijn 76/621/EEG.
Er wordt een verbod gesteld op de aanwezigheid van bepaalde pathogene micro-organismen, zoals voor salmonella, listeria en campylobacter (artikel 4) en er is een bepaling die de minister de bevoegdheid geeft eisen te stellen aan de te gebruiken extractiemiddelen (artikel 6).
Het bestuur van het Productschap MVO kan nadere regels stellen of andere besluiten nemen ten aanzien van het bereiden, behandelen, verpakken of bewaren van eet- of drinkwaren (artikel 3, lid 5 plus artikel 15, lid 6). Tot slot zijn er bepalingen over bewaring, vervoer en verpakking (artikelen 14 t/m 17).
Voor de volledige tekst van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, klik hier.