English
 
 » Wet- en regelgeving » Dierlijk vet » Voor humane consumptie » Pesticidenrichtlijn 86/363/EEG
 Wet- en regelgeving  
  
 
 Pesticidenrichtlijn 86/363/EEG  

De Raad van Ministers heeft op 24 juli 1986 Richtlijn 86/363/EEG afgekondigd tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Deze is in de jaren daarna vele malen gewijzigd en enkele keren gerectificeerd.

Achtergrond van de richtlijn is het voorkomen van schade aan milieu en/of menselijke gezondheid van bestrijdingsmiddelen die via het veevoer in levensmiddelen van dierlijke oorsprong belanden. Hiertoe zijn maximumgehalten opgesteld voor een hele set uiteenlopende middelen en hun afbraakproducten (metabolieten). Tot de producten van dierlijke oorsprong waarvoor de richtlijn geldt, behoren onder meer:

GN-code Omschrijving
0206 Eetbare slachtafvallen van runderen, varkens, schapen, geiten, paarden, ezels, muildieren of muilezels, vers, gekoeld of bevroren
0207 Vlees en eetbare slachtafvallen van pluimvee (bedoeld bij post 0105) (hanen en kippen, eenden, ganzen, kalkoenen en parelhoenders), vers, gekoeld of bevroren
ex 0208 Ander vlees en andere eetbare slachtafvallen, vers, gekoeld of bevroren, van tamme duiven, tamme konijnen en wild
0209 Spek (ander dan doorregen spek), alsmede niet-gesmolten varkensvet en vet van gevogelte, vers, gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt
0210 Vlees en eetbare slachtafvallen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt; meel en poeder van vlees of van slachtafvallen, geschikt voor menselijke consumptie
1601 00 Worst van alle soorten, van vlees, slachtafvallen of bloed: bereidingen van deze producten voor menselijke consumptie
1602 Andere bereidingen en conserven, van vlees, slachtafvallen of bloed


Deze opsomming is terug te vinden in bijlage I.

Behalve deze producten vallen ook producten onder de richtlijn die hieruit zijn verkregen via een droog- of verwerkingsprocédé of via verwerking in samengestelde levensmiddelen, voor zover deze producten bestrijdingsmiddelenresiduen kunnen bevatten. Een uitzondering geldt voor genoemde producten als op bevredigende wijze kan worden aangetoond dat zij niet voor diervoeders dan wel voedsel zijn bestemd.

In bijlage II treft u de geldende maximumgehalten per bestrijdingsmiddel aan.

Voor de (geconsolideerde) tekst van Richtlijn 86/363/EEG, klik
hier.

Richtlijn 86/363/EEG is in Nederland geïmplementeerd in de
Regeling residuen van bestrijdingsmiddelen.

Wijzigingen na januari 2004
Op 26 april 2004 is afgekondigd
Richtlijn 2004/61/EG waarin voor bepaalde bestrijdingsmiddelen waarvan het gebruik in de Europese Gemeenschap verboden is een maximum residulimiet (MRL) is vastgesteld ter hoogte van de detectiegrens. Hiertoe is bijlage II, zowel deel A als deel B, van Richtlijn 86/363/EG aangepast.
Het gaat om de stoffen nitrofeen (0,01 mg'kg), de kwikverbindingen (0,01), camfechloor (0,05 behalve voor pluimvee), 1,2-dichloorethaan (0,1), binapacryl (0,01), ethyleenoxide incl. 2-chloorethanol (0,02), captafol (0,01) en dinoseb (0,01).

Deze wijziging is in Nederland geïmplementeerd via de
Wijziging regeling residuen van bestrijdingsmiddelen.

Ook voor de slechts in uitzonderlijke gevallen toegestane stof amitraz is een MRL vastgesteld op de detectiegrens. In
Richtlijn 2005/46/EG is besloten voor amitraz en zijn metabolieten de waarde van 0,05 mg/kg aan te houden voor pluimveevet.

Op 23 augustus 2005 is via
Richtlijn 2005/48/EG een limiet van 0,05 ppm gesteld voor picoxystrobin en een nieuwe limiet van 0,01 ppm voor propiconazool.

Middels
Richtlijn 2005/70/EG van 20 oktober 2005 zijn de delen A en B van bijlage II gewijzigd om nieuwe MRL's vast te leggen voor glyfosaat, bromoxynil, chloorprofam, ioxynil, pyraclostrobine, quinoxyfen en trimethylsulfonium-kation.

Op 29 juni 2006 is bepaald via
Richtlijn 2006/59/EEG dat bijlage II wordt gewijzigd. In deel A wordt een regel over carabryl toegevoegd met een MRL ter hoogte van 0,05 mg/kg (detectiegrens) en in deel B wordt de regel over (cis-)deltamethrin vervangen waarbij voor dierlijk vet 0,5 mg/kg staat vermeld.

Verder is op 7 juli 2006 vastgesteld
Richtlijn 2006/61/EG waarin is bepaald dat de maximaal toegestane limieten voor de stoffen azinfos-ethyl en triazofos voor dierlijke vetten worden verlaagd tot de detectiegrens van 0,01 mg/kg. Tevens is hierbij voor fenthion (fenthion en het zuurstofanalogon daarvan en de sulfoxiden en sulfonen van deze stoffen, uitgedrukt als fenthion) een limiet van 0,05 mg/kg geïntroduceerd. Alle wijzigingen betreffen deel A van bijlage II.

De
Richtlijn 2006/62/EG van 12 juli 2006 voegt een regel toe aan deel A van bijlage II en wel een limiet van 0,01 mg/kg voor chloorfenvinfos (som van E- en Z-isomeer), terwijl deel B een extra - voorlopige - limiet krijgt van 0,05 mg/kg voor fenmedifam, beide voor dierlijke vetten.

Via
Richtlijn 2007/11/EG van 21 februari 2007 zijn aan deel A van bijlage II regels toegevoegd voor acetamipirid, methoxyfenozide en thiachloprid.

In
Richtlijn 2007/27/EG van 15 mei 2007 zijn aan deel A van bijlage II regels toegevoegd voor indoxacarb, MCPA, MCPB en MCPA-thio-ethyl, en tolylfluanide.

Dankzij
Richtlijn 2007/28/EG wordt aan deel B van bijlage II een regel toegevoegd over maleïnehydride.

Op 17 september 2007 zijn opnieuw enkele wijzigingen doorgevoerd. Via
Richtlijn 2007/55/EG is de MRL voor azinfos-methyl verlaagd tot de detectiegrens van 0,01 mg/kg. Verder zijn in Richtlijn 2007/56/EG de nieuwe MRL's vastgelegd voor deltamethrin/cis-deltamethrin en is in Richtlijn 2007/57/EG een groeps-MRL voor dithiocarbamaten neergelegd die de afzonderlijke communautaire MRL's voor maneb, mancozeb, metiram, propineb, thiram en ziram vervangt.

Via
Richtlijn 2008/17/EG is het maximumgehalte voor glyfosaat in dierlijke vetten vastgesteld op de detectielimiet, 0,05 ppm.

Richtlijn wordt verordening
Er bestaan in de EU vier richtlijnen die betrekking hebben op maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen, waarvan Richtlijn 86/363/EEG specifiek betrekking heeft op residuen in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Ten behoeve van de duidelijkheid en de eenvoud worden deze richtlijnen in 2005 ingetrokken en vervangen door één - rechtstreeks in de EU-landen van toepassing zijnde - Verordening. De tekst van de nieuwe
Verordening (EG) Nr. 396/2005 is inmiddels gepubliceerd en de verordening trreedt begin april 2005 in werking. De bijlagen I t/m IV moeten echter nog in aparte verordeningen worden vastgesteld, en pas zes maanden nadat de laatste van deze vier is gepubliceerd, zullen de hoofdstukken II, III en V worden toegepast en zal Richtlijn 86/363/EEG worden ingetrokken.

Op 1 februari 2006 is als eerste stap bijlage I gepubliceerd via
Verordening (EG) Nr. 178/2006. Hierin worden de producten opgenoemd van onder meer dierlijke oorsprong waarvoor in de nieuwe verordening MRLs gaan gelden. Tot deze producten behoren gesmolten dierlijke vetten en eetbare slachtafvallen van landdieren (zie pagina's 21 t/m 25).

Via
Verordening (EG) nr. 149/2008 van 29 januari 2008 zijn de bijlagen II, III en IV vastgesteld met daarin maximumresidugehalten voor onder bijlage I vallende producten.

De Europese Commissie heeft de bevoegdheid verkregen tot het doorvoeren van zgn. niet-essentiële wijzigingen in genoemde Verordening (EG) Nr. 396/2005, zoals het omschrijven van de werkingssfeer van de verordening en het bepalen van de criteria die nodig zijn voor het vaststellen van sommige MRL's. Dit is gebeurd via
Verordening (EG) Nr. 299/2008, die de teksten van een flink aantal artikelen van bovenstaande verordening hierop aanpast.

Via Verordening (EG) Nr. 822/2009  zijn de bijlagen II, III en IV van Verordening (EG) nr. 396/2005 gewijzigd. Het gaat om het verlengen, toevoegen dan wel wijzigen van bepaalde MRLs voor gewassen, hetgeen gevolgen kan hebben voor de dieren die deze gewassen consumeren. In vrijwel alle gevallen is ervoor gekozen de MRL voor een bepaalde stof in een dierlijk vet op de detectielimiet vast te stellen.

 

  

 

 Updates