Richtlijn 76/768/EEG bepaalt welke ingrediënten als veilig zijn beoordeeld en derhalve gebruikt mogen worden in cosmetica. Per 1 juli 1997 is (met Richtlijn 97/1/EEG) aan Bijlage II van de Cosmeticarichtlijn toegevoegd, dat in cosmetica geen SRM mag worden gebruikt, alsmede daarvan afgeleide ingrediënten, zoals gesmolten rundvet.
Op 5 maart 1998 is (met Richtlijn 98/16/EG bijlage II opnieuw gewijzigd. Toegevoegd is, dat van talg afgeleide producten (vetzuren, glycerine, esters van vetzuren, zeep) mogen worden gebruikt, indien een bepaald verwerkingsproces (omestering, hydrolyse, verzeping of hoge temperatuur/druk) hebben ondergaan. Deze wijziging is in Nederland op 10 april 1998 in werking getreden. In de TSE-verordening 999/2001 wordt een uitzondering op het SRM-verbod gemaakt voor cosmetische producten en grondstoffen/tussenproducten daarvoor.
De Cosmeticarichtlijn is in Nederland opgenomen in de Warenwetregeling nadere eisen cosmetische producten. Er is daarbij gebruikt gemaakt van een zgn dynamische verwijzing naar de bijlagen van de Cosmeticarichtlijn. Controle geschiedt door de Keuringsdienst van Waren.
De bijlage van Richtlijn 76/768/EEG is gewijzigd via Richtlijn 2003/83/EG. Hierbij is onder meer hydrochinonmethylesther veilig verklaard voor toepassing in cosmetische producten.
Via Richtlijn 2004/94/EG is een bijlage IX toegevoegd, met de - tot nog toe lege - lijst van gevalideerde alternatieve methoden ter vervanging van dierproeven.
Deze richtlijn is via de Wijziging Warenwetregeling nadere eisen cosmetische producten in de Nederlandse wet geïmplementeerd.
Via Richtlijn 2004/93/EG zijn de bijlagen II en III gewijzigd. In concreto gaat het om een uitbreiding van de lijst niet-toegestane ingrediënten, waarbij voor dierlijk vet van belang is dat acrylamide (nr. 681) en hexaan (nr. 999) vanaf 1 januari 2005 niet meer in cosmetische producten mogen worden toegepast.
Deze richtlijn is via de Uitvoeringsregeling wijziging bijlagen Richtlijn 76/768/EEG in de Nederlandse wet geïmplementeerd.
Voor de geconsolideerde tekst van de Cosmeticarichtlijn, klik hier.
Na de jongste datum van consolidatie zijn nog de volgende wijzigingen van de Cosmeticarichtlijn doorgevoerd:
Inventaris en nomenclatuur
De zesde wijzigingsrichtlijn van Cosmeticarichtlijn 76/768/EG, Richtlijn 93/35/EEG, bepaalt dat de Europese Commissie overeenkomstig de procedure van het comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang, bedoeld in artikel 10 van Richtlijn 76/768/EEG, een inventaris opstelt van de in de cosmetische produkten verwerkte ingrediënten (waaronder dierlijke vetten en visolie), aan de hand van met name de door de betrokken industrie verstrekte gegevens. Deze inventaris is indicatief en vormt geen lijst van de stoffen waarvan verwerking in cosmetische produkten is toegestaan.
Het kader voor deze inventaris wordt geschetst in Besluit 96/335/EG.
De inventaris moet gegevens bevatten over de identiteit van het ingrediënt, met name de INCI-naam (voorheen CTFA-benaming), de benaming van de Europese Farmacopee, de internationale triviale benaming van de WHO (INN), de IUPAC-naam, het EINECS/ELINCS-, CAS- en Colour Index-nummer, de gemeenschappelijke benaming als bedoeld in artikel 7, lid 2, van Richtlijn 76/768/EEG als gewijzigd, en de functie(s), beperkingen, gebruiksvoorwaarden en eventuele verplichte waarschuwingen.
Genoemd besluit is gewijzigd middels Besluit 2006/257/EG waarbij door opstelling van een geheel vernieuwde bijlage een geheel nieuwe inventaris en een gemeenschappelijke nomenclatuur van in cosmetische producten verwerkte ingrediënten is vastgesteld. Hierbij is rekening gehouden met de wijzigingen in de Internationale nomenclatuur van cosmetische ingrediënten (INCI).