English
 
 » Wet- en regelgeving » Dierlijk vet » Dierlijke bijproducten » Dierlijke Bijproductenverordening 1069 2009
 Wet- en regelgeving  
  
 
 Dierlijke Bijproductenverordening 1069 2009  
Sinds 4 maart 2011 is in de hele Europese Unie een nieuwe Dierlijke Bijproductenverordening van toepassing. Eigenlijk gaat het om een combinatie van twee verordeningen die nauw aan elkaar gekoppeld zijn.
 
Verordening (EG) Nr. 1069/2009 is een kaderverordening waarin systematiek en algemene uitgangspunten zijn vastgelegd. Een eventuele verandering van deze verordening moet door de EU-Raad van Ministers en het Europees Parlement worden goedgekeurd.
Verordening (EU) Nr. 142/2011 is een uitvoeringsverordening waarin o.a. definities, modellen handelsdocument en gezondheidscertificaten en nadere voorschriften staan. Wijzigingen van deze verordening op grond van veranderde wetenschappelijke inzichten kunnen door de Europese Commissie worden doorgevoerd zonder raadpleging van Raad en EP.
 
De combinatie van kader- en uitvoeringsverordening handhaaft grotendeels de principes en voorschriften van Verordening (EG) Nr. 1774/2002die op 4 maart is ingetrokken. Behalve deze oude Dierlijke Bijproductenverordening zijn op dezelfde datum ook enkele bij deze verordening horende uitvoerings- en wijzigingsverordeningen (Verordening (EG) Nrs. 811/2003, 878/2004, 79/2005, 92/2005 (alternatieve verwerkingsmethoden)181/2006, 197/2006, 1192/2006 (lijsten erkende bedrijven) en 2007/2006) en beschikkingen (Beschikkingen 2003/322/EG, 2003/324/EG en 2004/407/EG) ingetrokken.
 
Voornaamste redenen om met een nieuwe Dierlijke Bijproductenverordening te komen, zijn ten eerste de wens om een duidelijker structuur in de voorschriften aan te brengen, ten tweede de noodzaak om een betere scheiding aan te brengen met andere communautaire wetgeving (o.a. door een eindpunt op te nemen en bepalingen beter af te stemmen op andere verordeningen), en ten derde het besluit om de Europese Commissie meer bevoegdheden te geven voor het tussentijds wijzigen van de verordening n.a.v. nieuwe wetenschappelijke inzichten.
 
Kaderverordening (EG) nr. 1069/2009
 
Toepassingsgebied en definities
Verordening (EG) nr. 1069/2009 is van toepassing op dierlijke bijproducten en afgeleide producten die van menselijke consumptie zijn uitgesloten, of omdat ze daarvoor niet geschikt zijn of omdat een exploitant dat heeft besloten. Als een product eenmaal een dierlijk bijproduct is geworden, naar de regels van de communautaire wetgeving of door de keus van de producent of andere exploitant, mag het niet opnieuw in de voedselketen komen. Ook grondstoffen voor de productie van producten van dierlijke oorsprong die door een bedrijf / exploitant buiten de voedselketen worden gehouden, vallen dus binnen het toepassingsgebied van de verordening. Keukenafvallen en etensresten (incl. afgewerkte bak- en braadolie) vallen er alleen onder als zij afkomstig zijn van internationaal transport, bestemd zijn als diervoeder of bestemd zijn voor omzetting in biogas of voor compostering, of bestemd zijn voor verwerking door sterilisatie onder druk dan wel een andere gelijkwaardige methode.
 
In artikel 3 staan 27 definities, waaronder die van:
1. ‘dierlijke bijproducten’: doe dieren of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, …
2. ‘afgeleid product’: producten die zijn verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten
3. ‘producten van dierlijke oorsprong’: producten zoals gedefinieerd in punt 8.1. van bijlage I bij Hygiëneverordening (EG) nr. 853/2004
11. ‘exploitant’: de natuurlijke of rechtspersonen die de feitelijke controle hebben over een dierlijk bijproduct of een afgeleid product, waaronder vervoerders, handelaren en gebruikers
13. ‘inrichting’ of ‘bedrijf’: elke plaats waar om het even welke handeling wordt verricht die de hantering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten omvat, met uitzondering van vissersvaartuigen
27. ‘afvalstof’: afvalstof als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG
 
Begin- en eindpunt in de productieketen wat de verordening betreft worden omschreven in resp. artikel 4 en 5. Het laatste verwijst naar de artikelen 33, 35 en 36 voor afgeleide producten die in de handel mogen worden gebracht zonder dat de bepalingen van deze verordening nog van toepassing zijn, al kan hiervan bij afgeleide producten van artikel 33 (o.a. cosmetische producten) worden afgeweken in geval de autoriteiten dit noodzakelijk achten vanwege risico’s voor volks- of diergezondheid. Voor producten genoemd in artikel 36 en 35 (o.a. petfood) is deze beperking niet opgenomen.
 
Categorisering
De systematiek van de oude DBPV is gehandhaafd, te weten een verdeling van dierlijke bijproducten over drie categorieën, waarbij categorie 1-materiaal als het meest risicovolle wordt gezien (artikel 8), categorie 3-materiaal in principe als grondstof voor mengvoeders mag worden toegepast (artikel 10) en categorie 2-materiaal daar tussenin zit en tevens een restcategorie vormt (artikel 9).
 
Dierlijke bijproducten uit de categorieën 1 en 2 mogen niet in mengvoeders voor landbouwhuisdieren worden toegepast, categorie 3-materiaal wel, behalve enkele soorten nauwkeurig omschreven categorie 3-materiaal: keukenafval en etensresten (waaronder afgewerkte bak- en braadolie), rauw vetweefsel dat is verwijderd van dieren die vóór de slacht zijn goedgekeurd voor menselijke consumptie en dat na de slachting niet wordt gekeurd (zgn. ‘adipose tissue’), en huiden, hoeven, veren, wol, hoorn, haar en bont afkomstig van bepaalde dode dieren. Nieuw in categorie 3 – ten opzichte van de oude DBPV - zijn onder meer wild en dierlijke bijproducten van pluimvee.
 
Schrappen van een type dierlijk bijproduct is niet mogelijk, wel opname van een extra type of verschuiving tussen categorieën als veranderend wetenschappelijk inzicht leidt tot een andere waardering van het risico. Mengsels van verschillende typen leiden tot een categorisering van het mengsel in het meest risicovolle type dat in het mengsel zit (voorbeeld: vermenging van categorie 2-materiaal met categorie 3-materiaal maakt de hele partij tot categorie 2-materiaal).
 
Verwijdering en gebruik
Het kannibalismeverbod (verbod op vervoedering aan landbouwhuisdieren van dierlijke eiwitten van de eigen soort) en het verbod op vervoedering van gebruikte frituurvetten en –oliën staan in artikel 11, lid 1, sub a resp. sub b. Het kannibalismeverbod voor de vervoedering van kweekvissen staat in artikel 11, lid 1, sub d.
 
Voorschriften voor verwijdering en gebruik van categorie 1-, 2- en 3-materiaal zijn te vinden in resp. de artikelen 12, 13 en 14. Categorie 1-materiaal mag o.a. worden meeverbrand voor energieopwekking (sub b), als brandstof verstookt (sub e) en gebruikt voor de vervaardiging van afgeleide producten zoals bedoeld in de artikelen 33, 34 en 36 (sub f). Categorie 2-materiaal heeft dezelfde opties, plus verwerking tot biogas, compost, organische meststof of bodemverbeteraar. Categorie 3-materiaal heeft de opties van categorie 2-materiaal, plus de productie van mengvoeders, petfood en nertsenvoer, waarbij gebruikte frituurvetten en –oliën ook mogen worden omgezet in biogas of compost of verwerkt door sterilisatie onder druk of gelijkwaardige methode.
 
Er kunnen volgens artikel 15 aparte maatregelen worden vastgesteld voor o.a. alternatieve verwerkingsmethoden, parameters voor de omzetting van DBP in biogas of compost, voorwaarden voor de verbranding en meeverbranding, voorwaarden voor het verstoken, voorwaarden voor het ontstaan en de hantering van DBP, het duurzaam merken van DBP en het gebruik van bepaalde DBP voor vervoedering aan landbouwhuisdieren. Anders gezegd: artikel 15 vormt de juridische koppeling van kader- en uitvoeringsverordening (zie hieronder).
De procedure voor toelating vaneen alternatieve methode van verwerking (gebruik of verwijdering) van dierlijke bijproducten is vastgelegd in artikel 20.
 
Verplichtingen van exploitanten
Artikel 21 tot en met 43 bevat de verplichtingen van de exploitanten. Artikel 21 omvat de verplichtingen m.b.t. verzameling, identificatie en vervoer waaronder de plicht tot het gebruik van een handelsdocument dan en eventueel een gezondheidscertificaat, in artikel 22 wordt de verplichting tot het voeren van een sluitende administratie vastgelegd ten behoeve van de traceerbaarheid.
 
Transporteurs en handelaren dienen geregistreerd te zijn bij de nVWA (artikel 23, lid 1, sub a). In genoemd artikel staat ten aanzien van registratie de ruime omschrijving dat deze verplicht is voor bedrijven ‘die actief zijn in welke fase ook van de productie, het vervoer, de hantering, de verwerking, de opslag, het in de handel brengen, de verdeling, het gebruik of de verwijdering van dierlijke bijproducten en afgeleide producten’. Registratie is niet verplicht voor bedrijven die al erkend zijn of moeten zijn volgens artikel 24, of die al een erkenning hebben volgens de voorschriften van de Hygiëneverordening 853/2004. De erkenningseis geldt volgens artikel 24 voor verwerkings- en opslagbedrijven. Exploitanten die fysiek met dierlijke bijproducten en afgeleide producten te maken hebben (inzameling, opslag, verwerking), moeten erkend worden, ook als het om producten gaat die bestemd zijn om bijvoorbeeld als brandstof te worden verstookt;
 
Alle exploitanten dienen het volgen van de stromen dierlijke bijproducten van categorie 1 en 2 alsmede van dierlijke eiwitten van categorie 3 via aanmelding bij het Traces-systeem mogelijk te maken.
 
Transporteurs dienen zich te houden aan de voorschriften van bijlage IX, hoofdstuk IV, punt 2 van de Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 142/2011 (zie hieronder). Er is met name van belang dat zij een sluitende administratie m.b.t. zendingen dierlijke bijproducten bijhouden, zodat de bevoegde autoriteiten deze zendingen van begin tot eind kunnen traceren. Dit geldt overigens niet voor transporteurs die al geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 183/2005.
 
Algemene hygiënevoorschriften en eisen geldend binnen levensmiddelenbedrijven zijn te vinden in de artikelen 25 en 26. De plicht tot het uitvoeren van interne audits is opgenomen in artikel 28 en die tot het uitvoeren van HACCP-audits in artikel 29.
 
In de handel brengen en internationale handel
De voorschriften voor het in de handel brengen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten staan voor wat betreft mengvoeders in artikel 31 (categorie 3-materiaal als positieve lijst) en voor wat betreft de diverse afgeleide producten in de artikelen 33 t/m 39.
 
De voorschriften voor in-, door- en uitvoer staan in de artikelen 41 t/m 43. Voorwaarden die aan import of doorvoer kunnen worden gesteld, staan in artikel 41, lid 3. Het uitvoerverbod van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor verbranding en storting (totaal verbod) of omzetting naar biogas of compost (verbod van export naar niet-leden van de OESO) staat in artikel 43, lid 1 en 2.
 
Officiële controles
De verplichtingen van de lidstaten inzake goedkeuringsprocedures, het uitvoeren van officiële controles, het opschorten dan wel intrekken van een erkenning, de opstelling van lijsten met erkende en geregistreerde bedrijven en de verplichting voor bedrijven en overheidsinstellingen tot benutting van het Traces-systeem zijn te vinden in de artikelen 44 t/m 48.
 
In de bijlage staat tenslotte een concordantietabel, zodat kan worden opgezocht met welke artikelen uit de oude Bijproductenverordening (EG) nr. 1774/20002 die uit de nieuwe verordening corresponderen.
 
Klik hier voor de volledige tekst van Verordening (EG) nr. 1069/2009.
 
Klik hier voor een Engelse,Franse, Spaanse en Duitse versie van genoemde verordening.
 
Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 142/2011
 
Definiëring vet, visolie en vetderivaten
Bij de definities wordt bij gesmolten vet expliciet genoemd, na het vet afkomstig van dierlijke bijproducten, ‘producten voor menselijke consumptie, die een exploitant voor andere doeleinden dan menselijke consumptie bestemd heeft’. Analoog hieraan wordt ook bij visolie genoemd: olie uit verwerkte waterdieren of olie uit verwerkte vis voor menselijke consumptie, die een exploitant voor andere doeleinden dan menselijke consumptie bestemd heeft. Vetderivaten worden omschreven als ‘afgeleide producten van gesmolten vet die, wat gesmolten vet van categorie 1- en categorie 2-materiala betreft, verwerkt zijn overeenkomstig bijlage XIII, hoofdstuk XI. Alle definities zijn te vinden in bijlage I.
 
Verzameling, vervoer en identificatie
De bepalingen inzake verzameling, vervoer en traceerbaarheid zijn te vinden in bijlage VIII. Hierin staan voorschriften voor voertuigen en recipiënten (hoofdstuk I, afdeling 1), temperatuuromstandigheden (hoofdstuk I, afdeling 2) en voor identificatie, zoals kleurgebruik, bewoording, merken van stoffen e.d. (hoofdstuk II).
De voorschriften voor reiniging van transportmiddelen en recipiënten zijn nu meer risicogericht. Maatregelen van betrokken bedrijven dienen te worden afgestemd op het feitelijke risico van de lading dierlijke bijproducten of afgeleide producten.
 
Handelsdocument en gezondheidscertificaten
Er is een nieuw, vereenvoudigd model handelsdocument ingesteld, dat is samengevat op één dubbelzijdige A4. Een handtekening van de vervoerder is nu niet meer vereist. In bijlage VIII staan in hoofdstuk 3 de voorschriften m.b.t. het handelsdocument. Ook het nieuwe model is hier te vinden.
De modellen van de gezondheidscertificaten zijn terug te vinden in bijlage XV.
 
Aanvraag toestemming verzending
Er is een standaardformulier ontwikkeld voor de aanvraag van toestemming bij de lidstaat van bestemming vóór de verzending van dierlijke bijproducten naar de desbetreffende lidstaat (bijlage XVI, hoofdstuk III, afdeling 10). De bevoegde autoriteit van deze lidstaat dient binnen twintig kalenderdagen over dit verzoek te beslissen.
 
Verbranden en meeverbranden
In de nieuwe verordening wordt expliciet gesteld dat verbranding en meeverbranding van bepaalde dierlijke bijproducten niet binnen de werkingssfeer van de Kaderrichtlijn voor de Verbranding van Afvalstoffen 2000/76/EG vallen (overweging 9). Verbranding wordt gedefinieerd als verwijdering van DBP en afgeleide producten, indien het afval betreft, in een erkende afvalverbrandingsinstallatie; meeverbranding is het hergebruik of de verwijdering van DBP of afgeleide producten, indien het afval betreft, in een meeverbrandingsinstallatie. Als er sprake is van energiewinning uit dierlijke vetten die als afval verbrand moetwen worden, gelden dus de voorschriften voor meeverbranding. De voorschriften voor het verbranden en meeverbranden van onder meer dierlijke vetten zijn te vinden in artikel 6 en bijlage III.
 
Stoken
Verstoking wordt in bijlage I (pagina 20, no. 41) gedefinieerd als een procedé waarbij brandstof wordt geoxideerd teneinde de energiewaarde van de dierlijke bijproducten of afgeleide producten te benutten, indien het geen afval betreft. De verstoking van dierlijke vetten in thermische ketels wordt geregeld in bijlage IV, hoofdstuk IV (Alternatieve verwerkingsmethoden), afdeling 2, sub E.
 
Biodiesel en verwerkt petfood
De biodieselproductie staat nog steeds opgenomen als alternatieve methode voor de verwijdering van dierlijke bijproducten en afgeleide producten. De verwerkingsnormen staan opgenomen in bijlage IV, hoofdstuk IV, afdeling 2, sub D. Biodiesel die voldoet aan de eisen voor de verwijdering en het gebruik van afgeleide producten in bijlage IV, hoofdstuk IV, afdeling 3, punt 2, onder b, kan zonder beperkingen in de handel worden gebracht. Zo’n eindpunt in de productieketen is ook verwerkt petfood dat aan de eisen in bijlage XIII, hoofdstuk II, punt 7, onder a voldoet (artikel 3).
 
Alternatieve verwerkingsmethoden
Bij de alternatieve verwerkingsmethoden zijn nu ook opgenomen de parameters die volgens de Hygiëneverordening voor dierlijke producten (EG) nr. 853/2004 zijn gespecificeerd voor de behandeling van gesmolten vet en visolie.
Overigens bevat de verordening nu ook een standaardformaat voor bedrijven die aan de EFSA een verzoek tot beoordeling van een alternatieve verwerkingsmethode willen voorleggen. Hierin is onder meer opgenomen welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Dit formaat is te vinden in bijlage VII.
 
Biogas en compost
De processen voor omzetting van dierlijke bijproducten en afgeleide producten in biogas of compost, moeten wel voldoen aan de gezondheidsvoorschriften zoals deze zijn opgenomen in Verordening (EG) 1069/2009 en maatregelen ter bescherming van het milieu van de Kaderrichtlijn voor Afvalstoffen 2008/98/EG. De eisen voor bedrijven die zich hiermee bezighouden, zijn te vinden in bijlage V.
 
Traceerbaarheio
Lidstaten krijgen de mogelijkheid bedrijven te verplichten gebruik te maken van het Traces-systeem om te bewijzen dat zendingen op de plaats van bestemming zijn aangekomen. Het komende jaar zullen beide systemen (Traces vs. een vierde exemplaar van het handelsdocument) naast elkaar bestaan en na afloop worden geëvalueerd.
 
Eindpunt oleochemie
Een definitieve beslissing over het eindpunt, met andere woorden het punt waarna Verordening (EG) nr. 1069/2009 niet meer van toepassing is, voor producten die een oleochemische bewerking hebben ondergaan, moet nog worden genomen. De Europese Commissie wacht hiertoe nog op de beoordeling van de oleochemische procedés en met name de mate waarin deze mogelijke gezondheidsrisico’s weg kunnen nemen van alle categorieën verwerkt dierlijk vet.
 
Import
Er zijn verwijzingen naar andere verordeningen voor wat betreft de mogelijkheid om dierlijke bijproducten uit derde landen te importeren. Zo is er een link met Verordening (EU) nr. 206/2010 (import dieren en vers vlees) en met Beschikking 2006/766/EG (import visolie). De gezondheidscertificaten die de zendingen begeleiden dienen te worden afgegeven op basis van de certificeringsbeginselen van dezelfde strekking als die van Richtlijn 96/93/EG. Officiële controles moeten worden verricht conform de verplichtingen van Verordening (EG) nr. 882/2004.
 
Overgangsmaatregelen
Er is een overgangsperiode vastgesteld om betrokken bedrijven de gelegenheid te geven de vóór 4 maart op rechtsgeldige wijze geproduceerde producten in de handel te brengen en zich ook anderszins op de nieuwe voorschriften in te stellen. Tevens wordt beoogd hiermee de continuïteit van de import te waarborgen. Concreet betekent het dat handelsdocumenten en gezondheidscertificaten volgens de modellen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 nog tot en met 31 januari 2012 worden aanvaard voor invoer in de EU, mits zij vóór 30 november 2011 zijn opgesteld en ondertekend.
 
Verordeningsteksten
Klik hier voor de Nederlandse tekst van Verordening (EU) Nr. 142/2011.
Klik hier voor de Engelse versie.
Klik hier voor de Duitse versie.
Klik hier voor de Franse versie.
Klik hier voor de Spaanse versie.
 
Meerstapskatalyseproces en eindpunt visolie
Via Wijzigingsverordening (EU) Nr. 749/2011 is Verordening (EU) 142/2011 met ingang van 19 augustus 2011 zodanig gewijzigd dat het zgn. meerstapskatalyseproces is erkend als alternatieve methode voor de productie van hernieuwbare brandstoffen uit dierlijke vetten van categorie 2 en 3. Hiertoe zijn ook de bijlagen gewijzigd waaronder het model gezondheidscertificaat 10B voor ingevoerd technisch dierlijk vet. Verder is een eindpunt ingesteld voor visolie bestemd voor de vervaardiging van geneesmiddelen. Tot slot is de mogelijkheid ingebracht om (bijproducten van) varkenskarkassen in een gesloten recipiënt te hydrolyseren alvorens het gehydrolyseerde materiaal op de voorgeschreven wijze wordt afgevoerd en wordt bestemd voor storting, (mee)verbranding of omzetting in biogas of compost. 

Nederlandse regeling
De beide Europese verordeningen zijn geïmplementeerd in Nederlandse regelgeving, te weten de Regeling Dierlijke Bijproducten 2011die eveneens op 4 maart 2011 in werking is getreden.
 
  

 

 Updates