De op 17 mei 2003 gepubliceerde Richtlijn 2003/30/EG ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer geeft indicatieve percentages voor de minimumaandelen biobrandstoffen in de totale benzine- en dieselmarkt voor wegtransport. Het gaat om 2% op 31 december 2005 en 5,75% op 31 december 2010.
De lijst producten die als biobrandstoffen worden beschouwd, kan worden aangepast aan de technologische ontwikkelingen (rekening houdend met het milieueffect) maar bevat reeds expliciet bio-ethanol, biodiesel en onvermengde plantaardige olie (art. 2, lid 2). De EU-lidstaten worden opgeroepen het gebruik van biotransportbrandstoffen in bedrijfswagenparken en openbaar vervoer te bevorderen en dienen nationale indicatieve streefcijfers vast te stellen waarbij de hierboven genoemde percentages als referentiewaarden gelden.
In art. 4, lid 1 staan de redenen opgenoemd op basis waarvan lidstaten kunnen motiveren waarom ze afwijken van de in de richtlijn genoemde streefcijfers.
Om biobrandstoffen financieel te stimuleren biedt EU-richtlijn 2003/96 de mogelijkheid tot (gedeeltelijke) accijnsvrijstelling.
De EU-lidstaten moeten de richtlijn uiterlijk op 31 december 2004 implementeren in nationale regelgeving en aan de Europese Commissie vóór 1 juli 2005 over hun inspanningen rapporteren. Nederland heeft de plannen voor implementatie vastgelegd in de Beleidsnota Verkeersemissies.
Voor de Europese Commissie geldt dat in 2006 aan Raad en EP over de voortgang verslag moet worden uitgebracht, en daarna elke twee jaar.
In het Groenboek van de Commissie 'Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening' (123 pagina's) wordt als doel gesteld om in het wegvervoer conventionele brandstoffen tegen 2020 voor 20% te vervangen door alternatieve brandstoffen.
Terug naar overzicht