Richtlijn 2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit maakt het de EU-lidstaten mogelijk om accijnsvrijstelling te verlenen op het gebruik van biobrandstoffen voor warmteopwekking en/of transportdoeleinden.
De mogelijkheid tot accijnsvrijstelling geldt zowel voor pure biobrandstoffen als voor mengsels met minerale brandstoffen. In art. 16 wordt aangegeven dat een verlaagd belastingniveau onder meer kan worden gehanteerd voor producten behorend tot de GN-codes 1507 t/m 1518. Op deze producten zijn de bepalingen inzake controles en verkeer van Richtlijn 92/12/EG van toepassing indien ze zijn bestemd om als verwarmings- dan wel motorbrandstof te worden gebruikt.
Vrijstellingen lidstaten
Het is aan de lidstaten om een beroep te doen op de mogelijkheden tot vrijstelling. Een voornemen tot vrijstelling moet wel ter notificatie aan de Europese Commissie worden voorgelegd. Overigens staat art. 18, lid 1 lidstaten toe uiterlijk tot 1 januari 2007 afwijkende stelsels van verlaagde belasting dan wel accijnsvrijstelling te hanteren (zie bijlage II).
Frankrijk maakte hiervan gebruik tot 1 januari 2004 voor mengsels van gasolie en raapmethylester en van huisbrandolie en raapmethylester maar heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid deze te verlengen. De complexe Franse regeling staat met de beoordeling door de Europese Commissie opgenomen in de 42 pagina's tellende Beschikking 2003/238/EG.
Italië stond in dezelfde bijlage voor mengsels met 5 en 25% biodiesel tot 1 juli 2004. Dit was reeds vastgelegd in Beschikking 2002/265/EG.
Het Verenigd Koninkrijk staat er nog steeds op, tot 31 maart 2007, voor biodiesel(mengsels) die als biotransportbrandstof wordt/worden ingezet. Deze vrijstelling is gebaseerd op Beschikking 2002/550/EG.
Duitsland heeft zijn vrijstellingsregime geaccordeerd gekregen in een persbericht.
Terug naar overzicht