Bijeenkomsten
MVO-sector ontwikkelt lange-termijnstrategie
In het kader van de derde Meerjarenafspraak Energiebesparing (MJA3) werkt MVO in samenwerking met SenterNovem aan het ontwikkelen van een lange-termijnstrategie. Door het uitvoeren van een voorstudie ondersteunt MVO de ontwikkeling van een gezamenlijke visie van de oliën- en vettensector die als basis kan dienen voor een zgn. roadmap tot 2030.
Deze voorstudie helpt de MVO-sector om de ambities te bepalen, daarvoor draagvlak te creëren, enthousiasme te wekken voor mogelijke vervolgstappen én de beste aanpak voor dit vervolg te bepalen. Tijdens de voorstudie wordt breder gekeken dan alleen naar energie-efficiency. Het doel is een integrale sectorvisie die de MVO-sector optimaal voorbereidt op de toekomst. Ook innovatie maakt hiervan onderdeel uit.
Momenteel worden de actuele en toekomstige marktontwikkelingen in kaart gebracht via interviews met de verschillende subsectoren waaruit de MVO-keten bestaat. Daarna volgen twee workshops om mogelijke toekomstscenario’s te schetsen en op basis daarvan een strategische visie met speerpunten te ontwikkelen. Om die speerpunten te realiseren worden bovendien prestatie-eisen opgesteld.
Tijdens de scenarioworkshop ontwikkelen we samen met de bedrijven op basis van generieke economische, sociale, politieke en demografische toekomstbeelden, specifieke MVO- sectorscenario’s. Deze scenario’s beschrijven onder andere ontwikkelingen in klantprofielen en behoeften per marktsegment, een analyse van concurrentiekrachten en stakeholders, de organisatie van de keten en de sector, de belangrijkste veranderingen in producten en markten, en de mogelijke product- en procesinnovaties.
Bij de visieworkshop ontwikkelen we een gezamenlijke visie op de sector in 2030 met daarbij aandacht voor de belangrijkste marktkarakteristieken (klantgroepen, aanbieders, leveranciers, producten), de belangrijkste verwachte veranderingen in de sector (werkprocessen, energiehuishouding en organisatie), 3 à 7 kansrijke marktsegmenten (inclusief bijbehorende producten) en de 5 tot 12 belangrijke uitdagingen (speerpunten) voor de sector als ze de kansen wil pakken. Per speerpunt worden prestatiegebieden geformuleerd, en per prestatiegebied prestatie-eisen. Deze prestatie-eisen zijn afgeleid uit toekomstige klantbehoeften en bestaand of verwacht beleid.
De scenarioworkshop en de visieworkshop zullen respectievelijk worden gehouden op 5 en 12 juni 2009. Bedrijven die zich nog niet hebben aangemeld kunnen contact opnemen met Frank Bergmans, tel. 070-3195150, e-mail bergmans@mvo.nl.
De resultaten van deze workshops zullen tevens als basis dienen voor de strategie die het bestuur van MVO samen met de bedrijven op een speciale bijeenkomst op 24 september a.s. zal bespreken.
Nieuwe verordening labelen chemische stoffen
In 2010 wordt een nieuwe EU-verordening van kracht die het labelen van (chemische) stoffen en mengsels regelt. Niet alleen producenten, maar ook professionele gebruikers kunnen hiermee te maken krijgen. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van schoonmaakmiddelen en smeermiddelen.
In de nieuwe Europese verordening EU-GHS worden professionele gebruikers aangeduid als downstream gebruikers.
Klik hier voor meer informatie over de gevolgen van de nieuwe wetgeving.
Als professionele gebruiker kunt u ook andere rollen hebben (denk aan fabrikant van stoffen, importeur, distributeur of andere downstream gebruiker). In dat geval kunnen er voor het bedrijf ook andere verplichtingen gelden. Fabrikanten en importeurs hebben vrijwel dezelfde verplichtingen. Lees meer hierover in de andere informatiebladen.
Inleiding
Het Globally Harmonised System for the classification and labelling of chemicals van de Verenigde Naties (VN-GHS) is in 2002 door de VN vastgesteld. De lidstaten hebben de Europese Commissie gevraagd om de VN-afspraken om te zetten in bindende Europese regelgeving over de indeling en etikettering voor de levering en het gebruik van chemische stoffen en mengsels. Met de nieuwe verordening EU-GHS (EG nr 1272/2008) wordt VN-GHS in de Europese wetgeving verankerd. EU-GHS bevat ook onderdelen van de Stoffenrichtlijn (67/548/EEG) en Preparatenrichtlijn (1999/45/EG). Eén van de doelstellingen van EU-GHS is Europese harmonisatie van regelgeving voor de indeling, etikettering en verpakking van chemische stoffen en mengsels. De uniforme regels moeten ertoe leiden dat leveranciers van chemische stoffen en mengsels de gevaren daarvan op de juiste manier kunnen identificeren en communiceren naar hun klanten. De verordening is op 20 januari 2009 in werking getreden.
Gevolgen
Door EU-GHS verandert de indeling en etikettering van chemische stoffen en mengsels. Er zijn andere criteria voor de indeling (classificatie) van stoffen en mengsels op basis van hun gevaarseigenschappen. Ook verdwijnen met de invoering van EU-GHS de huidige oranje pictogrammen en de R- en S-zinnen (beter bekend als Wms-etikettering). In plaats daarvan komen nieuwe pictogrammen (een wit vierkant met een rode rand, staand op de punt), H-zinnen, EUH-zinnen, P-zinnen en signaalwoorden ('gevaar' en 'waarschuwing'). Het gevolg van de invoering van EU-GHS is dat leveranciers van chemische stoffen en mengsels deze opnieuw moeten indelen, etiketteren en verpakken volgens de nieuwe eisen. Bedrijven die stoffen op de markt brengen, hebben daarvoor tot uiterlijk 1 december 2010 de tijd. Voor mengsels loopt de termijn tot 1 juni 2015. De bepalingen van EU-GHS treden dus geleidelijk aan in werking (zie tabel 1).
De informatie die nu op de etiketten van stoffen en mengsels staat, zal dus veranderen. Leveranciers van stoffen en mengsels moeten nagaan of de gevarenklasse (indeling) van de producten die zij op de Nederlandse markt brengen verandert en wat de consequenties daarvan zijn voor de etikettering van hun producten. Naar verwachting zal vooral voor mengsels veel veranderen. Verder wordt in de toekomst de regelgeving die gebruik maakt van indeling van stoffen en mengsels ('downstream legislation') aangepast. Dit kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de opslageisen voor chemische stoffen en mengsels.
Verplichtingen
De verordening bevat verplichtingen voor leveranciers van stoffen en mengsels. Een leverancier is een (rechts)persoon die een stof, mengsel of voorwerp in de handel brengt. Het gaat om een fabrikant, importeur, distributeur of een formuleerder. Zij moeten ervoor zorgen dat de stoffen en mengsels die ze op markt brengen, voorzien zijn van de juiste etikettering en verpakking. Fabrikanten en importeurs moeten de indeling van stoffen ook melden bij het Europees Agentschap voor Chemische stoffen (ECHA). Verder moeten leveranciers alle informatie over de indeling en etikettering van een stof of mengsel gedurende tien jaar bewaren.
Relatie met REACH
REACH en EU-GHS zijn zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. In de EU-GHS verordening staat welke gevarenklassen of -categorieën worden beoordeeld als gevaarlijk (Engels begrip: 'dangerous'). Voor chemische stoffen die gevaarlijk zijn, kunnen in andere regelgeving - zoals REACH - aanvullende verplichtingen gelden. Ook een nieuwe (zwaardere) indeling volgens EU-GHS kan tot andere verplichtingen in het kader van REACH leiden. De bepalingen over het veiligheidsinformatieblad (Vib) die nu in REACH (artikel 31) zijn opgenomen blijven onderdeel van die verordening. Wel gelden volgens artikel 57 van EU-GHS in de overgangssituatie aanvullende eisen over de informatie over de indeling van een stof of mengsel in het Vib. Zo moet in de periode van 1 december 2010 tot 1 juni 2015 voor stoffen de indeling volgens EU-GHS en volgens de Stoffenrichtlijn (67/548/EEG) in het Vib worden opgenomen (zie tabel 2). De bepalingen over indeling en etikettering die nu in titel XI van REACH staan vervallen met de inwerkingtreding van de EU-GHS verordening. Deze bepalingen zijn opgenomen in de EU-GHS verordening.
Moet de verordening worden vertaald naar Nederlandse regelgeving?
Een Europese verordening is direct van toepassing in alle lidstaten. Een implementatie in de Nederlandse regelgeving is dus niet nodig. Wel treedt medio 2009 een uitvoeringswet ter aanpassing van hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer in werking. De tekst van de verordening is ook in het Nederlands beschikbaar. In de toekomst zal de Nederlandse regelgeving die gebruik maakt van indeling en etikettering van chemische stoffen en mengsels worden aangepast. Enkele voorbeelden zijn de Wet milieubeheer en relevante regelingen, het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Besluit externe veiligheid.
Nu alvast beginnen
[[voor leveranciers van stoffen]]
De deadline voor de invoering van EU-GHS is 1 december 2010. Op dat moment worden voor stoffen de bepalingen over indeling en etikettering in principe van kracht. Voor stoffen geleverd vóór 1 december 2010 geldt tot 1 december 2012 een vrijstelling van de verplichting voor etikettering en verpakken.
U kunt dus nu alvast aan de slag met de nieuwe regels. Als u stoffen indeelt, etiketteert en verpakt volgens EU-GHS, moet u deze ook indelen volgens de bepalingen van de Stoffenrichtlijn. De bepalingen over etiketteren en verpakken zijn dan niet meer van toepassing.
[[voor leveranciers van mengsels]]
Voor leveranciers van mengsels geldt dat zij sinds 20 januari 2009 vrijwillig EU-GHS kunnen gebruiken. In dat geval zijn de bepalingen over etiketteren en verpakken van de Preparatenrichtlijn (1999/45/EG) niet meer van toepassing. Legeringen worden ook als mengsels beschouwd. Let wel, u moet tot 1 juni 2015 naast de indeling volgens EU-GHS de mengsels blijven indelen conform de Preparatenrichtlijn. Vanaf 1 juni 2015 bent u verplicht de nieuwe regels toe te passen. Voor mengsels geleverd vóór 1 juni 2015 geldt tot 1 juni 2017 een vrijstelling van de verplichting voor etikettering en verpakken.
Meer informatie
Meer informatie vindt u op www.ghs-helpdesk.nl.
Hier vindt u ook informatiebladen over de verplichtingen per doelgroep (fabrikant, importeur, distributeur, formuleerder).
Via deze site kunt u ook contact opnemen met de helpdesk. SenterNovem werkt samen met het RIVM bij het beantwoorden van de vragen.
EEP: Energie-efficiëntie in bedrijf en keten
Tijdens de 2e MVO-bijeenkomst in het kader van het opstellen van een Energie-efficiencyplan (EEP) op 31 maart jl. werd aandacht besteed aan zaken die naar voren waren gekomen bij het inventariseren van het energieverbruik. In de middag werd nader ingegaan op de mogelijkheden tot energie-efficiencyverbetering in de keten. Al met al ligt de projectplanning bij de meeste deelnemende MVO-bedrijven aardig op schema. Dit neemt niet weg dat er nog het nodige moet gebeuren.
Op basis van de informatie van de energiestromen wordt van de bedrijven verwacht dat ze brainstormen over de mogelijkheden tot efficiencyverbetering van de productieprocessen en utilities. Vervolgens zal onderzocht moeten worden welke van de ideeën ook technisch en economisch haalbaar zijn.
Gebleken is dat energiezorg een belangrijk punt van aandacht is, aldus Ron Ongenae van Eproconsult. De continuïteit kan onder andere in gevaar komen door personele wisselingen. Ook audits en met name de directiebeoordeling willen er nog wel eens bij inschieten. En ook de toerekening van de output van ingekochte energie of zelf opgewekte stoom aan de verschillende energiegebruikers of processen kost vaak de nodige hoofdbrekens. Of die toedeling heeft al enige tijd geleden plaatsgevonden en komt daardoor niet meer overeen met de huidige bedrijfsvoering.
Nauw gerelateerd aan energiezorg is registreren, analyseren en communiceren van de energiegegevens. De basis voor een goed meetplan is identificatie van de key process indicators (KPI's), aldus Mark de Leeuw van De Klein Energy Consulting. Zijn bedrijf heeft RomiSmilfood al in 1998 voorzien van een meetplan en voert nog steeds op afstand de analyse van de energiegegevens uit om de resultaten daarvan terug te koppelen en bij te sturen. De aanschaf van energie- of aardgastussenmeters valt momenteel ook onder de Energie-InvesteringsAftrek (EIA). Met name good housekeeping verdient meer aandacht. Bijvoorbeeld het tijdig opsporen en dichten van lekken in het persluchtsysteem en het controleren van de isolatie op beschadigingen. Een operator staat bovendien bij het regelen van het proces onder druk om tijdig een voedselveilig product te leveren. Het in de hand houden van het energieverbruik is belangrijk, maar komt door die druk vaak op de derde plaats. Het ontbreekt in de meeste gevallen aan een goed afwegingskader. En bij oudere werknemers is vaak een vast patroon ingesleten. Afgesproken is dat MVO en SenterNovem onderzoeken hoe bedrijven ondersteund kunnen worden bij het optimaal sturen van het gedrag van de operators.
Koeling bleek bij veel bedrijven in de MVO-industrie, maar ook daarbuiten, vaak een black box te zijn. De installatie wordt gekocht en vervolgens ingeregeld en onderhouden door grote leveranciers van koelinstallaties, waar de operator geen vat meer op heeft. Onduidelijk is of de apparatuur nog wel goed functioneert en of de regeling is afgestemd op de rest van het productieproces. Afgesproken is dat MVO in samenwerking met SenterNovem een themabijeenkomst rond dit onderwerp organiseert.
Ook hebben nog steeds niet alle bedrijven een economiser op hun stoomopwekking, zo constateerde Arjen Kuin van Kuin Consult. Installatie hiervan maakt het mogelijk om de restwarmte terug te winnen en aan te wenden voor andere toepassingen, zoals het voorverwarmen van ketelvoedingswater of processtromen. Ook is het mogelijk om de restwarmte van persluchtinstallaties te benutten.
Het isoleren van leidingen, appendages en afsluiters is een eenvoudige maatregel die vaak in enkele maanden wordt terugverdiend. Bovendien is toepassing van een WKK efficiënter dan een stoomketel. Voorafgaand aan de aanschaf van een WKK is het wel belangrijk om op basis van een pinchanalyse vast te stellen hoeveel energie echt nodig is. Zo wordt overdimensionering van de WKK voorkomen.
Naast de verbetering binnen het bedrijf wordt verwacht dat de bedrijven ook kijken naar de mogelijkheden buiten hun bedrijf in de productieketen. Bovendien kan ook samenwerking met de buren op een bedrijfsterrein mogelijkheden bieden. Door meer disciplines uit het bedrijf, zoals inkoop, logistiek en marketing, te betrekken bij de brainstorm wordt inzicht verkregen in de mogelijkheden. Dit is een goede voorbereiding op gesprekken met ketenpartners. SenterNovem biedt bedrijven hierbij op verzoek ondersteuning, aldus Ellen Hoog-Antink.
De huidige inspanningen op duurzaamheidsgebied van de MVO-bedrijven staan in het eind januari uitgegeven MVO-boekje "Duurzame ontwikkeling in de praktijk".
Bijlage II Richtlijn storten 16 juli van kracht
Op 16 juli a.s. moet bijlage II van de richtlijn storten in Nederland worden toegepast. Vanaf dat moment moeten bedrijven die afvalstoffen aan stortplaatsen aanbieden een nieuwe omschrijving van die afvalstof verstrekken aan de stortplaats en hierbij analysegegevens (m.b.t. uitloging) overleggen.
De verplichting tot het overleggen van analysegegevens geldt met name voor gevaarlijke afvalstoffen en is, als het gaat om regelmatige afvalstoffen, tijdelijk.
Voor ontdoeners is er ook een informatieblad beschikbaar.
Klik hier voor informatie over de Richtlijn 1999/31.
Klik hier voor meer informatie.
Effecten nanotechnologie vragen nader onderzoek
Het Scientific Committee on Emerging and Newly Identified Health Risks (SCENIHR) concludeert in zijn rapport dat de effecten van nanotechnologie vragen om meer onderzoek.
Onlangs publiceerde het wetenschappelijk comité in opdracht van het Directoraat Generaal voor Gezondheid en Consumenten zijn rapport "Risk Assessment of Products of Nanotechnologies".
Klik hierhier voor meer informatie van de EFSA.
Klik hier voor meer informatie (SCENIHR).
De Sociaal Economische Raad (SER) in Nederland heeft zich gebogen over de veiligheid van het werken met nanodeeltjes en heeft dit gerapporteerd in het advies "Veilig omgaan met nanodeeltjes op de werkplek". Het advies Veilig omgaan met nanodeeltjes op de werkvloer is het antwoord van de commissie Arbeidsomstandigheden van de SER op de adviesaanvraag van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van 5 september 2008. Deze adviesaanvraag richtte zich op de vraag hoe om te gaan met de onzekerheden rond de risico's van nanotechnologie en dan vooral van synthetische, slecht afbreekbare nanodeeltjes in de beroepsmatige omgeving (1).
De veiligheid en de gezondheid van de werknemers die op de werkvloer met nanodeeltjes werken, staan voor de commissie centraal. Primair is de werkgever daarvoor verantwoordelijk uit hoofde van zijn zorgplicht, neergelegd in de Arbowet.
Uitgangspunt is dat stoffen met onzekere of onbekende risico's, waartoe ook nanodeeltjes behoren, behandeld moeten worden als (zeer) gevaarlijke stoffen. Dat houdt in dat het beleid en de uitvoeringsmaatregelen in die gevallen gericht moeten zijn op het voorkomen of minimaliseren van de blootstelling van werknemers.
Voor de toepassing van het voorzorgbeginsel als onderdeel van een goed arbobeleid voor het veilig omgaan met nanodeeltjes zal het voorzorgbeginsel in het arbeidsomstandighedenbeleid moeten worden geïmplementeerd. Dit betekent dat het voorzorgsbeginsel dan onderdeel wordt van door bedrijven op te stellen RI&E's en daarbij horende plannen van aanpak. Dat impliceert dat de inspanning van de werkgever erop gericht dient te zijn blootstelling aan nanodeeltjes te voorkomen en - in gevallen waarin blootstelling onvermijdbaar is - de blootstelling qua duur en omvang zo beperkt mogelijk te houden; met andere woorden minimaliseren van de blootstelling. De commissie beschouwt de toepassing van het voorzorgbeginsel als een tijdelijke aangelegenheid, namelijk tot het moment van de implementatie van de nanodeeltjes in de Europese REACH-regelgeving of het moment waarop de toename van kennis en informatie over nanodeeltjes voldoende is.
De commissie vraagt aan de werkgever(s) onder meer het voorzorgbeginsel toe te passen en te implementeren in de RI&E's en daarbij horende plannen van aanpak, goede praktijken te ontwikkelen, informatie over nanodeeltjes door te geven in de keten, bij te dragen aan informatie-uitwisseling en algemene voorlichting, en samen met de werknemers en de overheid een landelijke richtlijn te ontwikkelen. Verder vraagt de commissie de effectiviteit van genomen maatregelen te monitoren, en medewerking te verlenen aan een goede kennis- en expertiseopbouw en -ontwikkeling op het terrein van nanomaterialen bij de Arbeidsinspectie.
Van werknemers verwacht de commissie onder meer dat zij bijdragen aan de implementatie van het voorzorgbeginsel in de RI&E's en daarbij horende plannen van aanpak, aan de informatie-uitwisseling en aan een goede algemene voorlichting over nanodeeltjes. Ook vraagt de commissie hen mee te werken aan de ontwikkeling van goede praktijken en een landelijke richtlijn.
Klik hier voor meer informatie.
Warmte-/koudeopslag levert geld en CO2-winst op
Op verzoek van minister Cramer van Ruimte en Milieu heeft een taakgroep onder leiding van Loudi Stolker, de voorzitter van de Technische Commissie Bodembescherming, het advies 'Duurzaam gebruik van de ondergrond' uitgebracht. Het advies is opgesteld om meer en grootschalig gebruik van warmte-/koudeopslag te bewerkstelligen. Om de groei te versnellen neemt Cramer knelpunten weg, wordt de wet- en regelgeving aangepast en waar nodig milieurandvoorwaarden gesteld voor het beschermen van de bodemkwaliteit.
Minister Cramer is tevreden over het advies en gaat werk maken van de aanbevelingen. "Het gebruik van deze techniek groeit momenteel al met meer dan tien procent per jaar en ook nog eens vrijwel zonder subsidie vanuit de overheid. Als we de groei kunnen verdrievoudigen, is het mogelijk een reductie van meer dan 3 Mton CO2 per jaar te realiseren. Dit staat gelijk aan de uitstoot van 600.000 huishoudens. Daar komt nog bij dat het om een betaalbare techniek gaat die na een exploitatie van 5 à 10 jaar winst gaat opleveren. Warmte-/koudeopslag kan zorgen voor een doorbraak om de uitstoot van CO2 structureel te verlagen, zeker als we in staat zijn dit meer en grootschalig bij woonwijken en kantoren toe te passen."
Rondom industriële processen wordt beperkt gebruik gemaakt van warmte-/koudeopslag. De laagcalorische warmte of koude die hiermee wordt gegenereerd, is vaak niet afdoende voor deze sector. Bovendien speelt de terugverdientijd een rol. Met name bij kapitaalintensieve bedrijvigheid moeten innovaties die niet direct raken aan het productieproces veelal binnen een jaar of drie renderen om te worden toegepast. Een voorbeeld van een industrieel proces waar warmte-/koudeopslag wel met succes wordt toegepast, is koeling in spuitgieterijen.
Advies
Volgens de taakgroep moeten de wetten en regels, maar ook de bevoegdheidsverdeling rondom warmte-/koudeopslag op de schop:
- de nu vaak zware vergunningsprocedure wordt voor veel gebieden vervangen door een melding of door een snellere, meer uniforme vergunning; de taakgroep heeft hiervoor een eenvoudig verkeerslichtmodel ontwikkeld;
- het ontwerp en de realisatie van warmte-/koudeopslag moeten voldoen aan een kwaliteitskeurmerk;
- de regie bij een lichte vergunningprocedure moet door de gemeenten worden gevoerd op basis van masterplannen en structuurvisies;
- de motor achter de groei van warmte-/koudeopslag, namelijk een goede verdeling van kosten en baten, wordt versterkt door afspraken te maken over samenwerking tussen investeerders en gebruikers.
Achtergrond
Warmte-/koudeopslag is een duurzame energiebron waarbij warmte en koude worden opgeslagen in een waterlaag diep in de grond. 's Zomers wordt hierin warm water opgeslagen, dat in de winter voor verwarming wordt gebruikt. 's Winters gaat koud water in de bodem, dat in de zomer voor koeling retourneert.
Klik hier voor het advies.
Vereenvoudiging aanleg warmte-/koudeopslag
Minister Cramer gaat de wet- en regelgeving aanpassen om het grootschalig gebruik van warmte-/koude opslag (WKO) te stimuleren. Belangrijkste maatregel is het vereenvoudigen van de vergunningsprocedure. Om de bodemkwaliteit te waarborgen gaat zij daarnaast de aanleg en installatie van WKO wettelijk certificeren.
Vergunningen
Het vereenvoudigen van de vergunningprocedure gebeurt volgens het zogenaamde verkeerslichtmodel. Dit model is ontleend aan de door minister Cramer in 2008 ingestelde taskforce WKO.
- In groene gebieden zijn geen strijdige belangen voor de aanleg van WKO. In deze gebieden gaan algemene regels gelden en kan de aanvrager slechts met een melding bij het bevoegd gezag volstaan. WKO-projecten in deze gebieden kunnen hierdoor sneller worden gerealiseerd.
- In oranje gebieden blijft wel een vergunning gelden, maar waar mogelijk met een lichtere procedure. In deze gebieden moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt met andere ondergrondse belangen.
- In gebieden met een rode kleur is WKO feitelijk ongewenst, maar kan ruimte zijn voor maatwerk.
Certificering
Door het grootschalig gebruik van WKO wordt het bewaken van de bodemkwaliteit steeds belangrijker. Partijen moeten kunnen vertrouwen op een kwalitatief hoogwaardig systeem dat de bodem niet beschadigt en dat het beloofde rendement levert. Minister Cramer gaat daarom onder meer de installatie en aanleg van WKO certificeren. Momenteel geldt al een vrijwillige certificering, waar steeds meer partijen aan voldoen. Het is de bedoeling dat in de toekomst alleen nog erkende gecertificeerde bedrijven in de markt actief zijn, die met kennis van zaken handelen en betrouwbaar zijn.
WKO in Diemen
Onlangs heeft minister Cramer de eerste bron geboord van het bijzondere WKO-systeem van project Plantage de Sniep in Diemen. In de gemeente Diemen wordt een duurzame wijk gerealiseerd, die met 1200 woningen het grootste Nederlandse WKO-project in de woningbouw is. Minister Cramer ziet Plantage de Sniep als het goede voorbeeld: "Het gebruik van Warmte Koude Opslag groeit momenteel al met meer dan tien procent per jaar. Als we de groei verdrievoudigen, kunnen we de CO2-uitstoot elk jaar verminderen met wat gelijk staat aan het elektriciteitsgebruik van 600.000 huishoudens. Ik zie warmte-koude opslag als een doorbraak om de uitstoot van CO2 structureel te verlagen. De Sniep laat zien dat dit niet alleen bij kantoren en bedrijfsgebouwen, maar ook bij nieuwe en bestaande woningen heel goed mogelijk is."
CO2-meetlat Duurzame Logistiek gelanceerd
Op 24 maart jl. heeft het Innovatieprogramma Duurzame Logistiek samen met KNV, TLN en EVO de CO2-meetlat gelanceerd. De CO2-meetlat is een webtool voor transportbedrijven om jaarlijks hun eigen CO2-uitstoot te meten.
Aan de hand van de uitkomsten van de meetlat kunnen bedrijven reductiemaatregelen nemen om de uitstoot te verminderen en kosten te besparen. Tevens kunnen bedrijven kijken hoe zij "scoren" ten opzichte van hun branchegenoten ten aanzien van de CO2-uitstoot. De meetlat is beschikbaar op de site: www.duurzamelogistiek.nl.
Het programma Duurzame Logistiek is een aantal acties gestart rondom het meten van CO2 in transport en logistiek. Zo wordt er onder andere een handreiking over het meten van emissies in de logistiek en een emissiemeetinstrument (met name gericht voor verladers), ontwikkeld. Hierbij wordt aangesloten op de internationale ontwikkelingen.
Wilt u deelnemen aan deze activiteiten of hebt u vragen, dan kunt u zich wenden tot Coen Faber, projectmanager Innovatie van het Innovatieprogramma Duurzame Logistiek via faber@connekt.nl.
Verandering milieuverslaglegging
Bedrijven en bevoegd gezag moeten vanaf 2009 rekening houden met veranderingen in het Milieujaarverslag (MJV) en het PRTR-verslag. Een informatieblad van VROM geeft een overzicht van de belangrijkste wijzigingen voor industriële bedrijven.
Sinds de komst van de EG-verordening PRTR rapporteren veel bedrijven in verschillende kaders over hun emissies en afval: zowel via het MJV als via het PRTR-verslag. Vanaf 2010 (de rapportage over het verslagjaar 2009) is er één geïntegreerd en vereenvoudigd verslag. Voor de huidige MJV-bedrijven zal een deel van de rapportageverplichtingen vervallen. Bedrijven die nu alleen een PRTR-verslag indienen moeten juist over meer onderwerpen gaan rapporteren.
Klik hier voor het informatieblad.
Databank met milieumaatregelen en praktijkvoorbeelden
Infomil heeft haar databank met milieumaatregelen en praktijkvoorbeelden om milieuverbeteringen, energie- en waterbesparing te realiseren, geactualiseerd. Het doel van de databank is om binnen bedrijven en organisaties verbeteringen tot stand te brengen die leiden tot kostenbesparing.
U kunt kiezen voor:
- Milieumaatregelen (hier vindt u een overzicht van alle branches waarvoor maatregelen zijn opgenomen)
- Praktijkvoorbeelden (van gerealiseerde maatregelen)
- Luchtkwaliteitsmaatregelen (verkeer en vervoer en infrastructuur)
- Maatregelen voor IPPC bedrijven (BREFs) Beste Beschikbare Technieken (BREFs) zijn het resultaat van de informatie-uitwisseling volgens de Europese IPPC richtlijn
- Afvalstoffenkaarten (aandachtpunten omtrent de gescheiden inzameling van verschillende afvalstromen)
Het is ook mogelijk om te zoeken in alle maatregelen en praktijkvoorbeelden of om alle maatregelen gekoppeld aan een specifiek proces op te vragen.
De database biedt geen uitputtend overzicht van mogelijke maatregelen. De maatregelen hebben geen formele status en zijn bedoeld als hulpmiddel. De informatie is indicatief en dus niet zonder meer van toepassing op ieder willekeurig bedrijf.
Afvalfonds opgericht
Het verpakkend bedrijfsleven en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben een stichting Afvalfonds opgericht. Het fonds bekostigt de uitvoering van het Besluit verpakkingen, waarin de inzameling en recycling van verpakkingen is geregeld.
Door het Besluit verpakkingen is het verpakkend bedrijfsleven sinds 2006 verantwoordelijk voor de gescheiden inzameling en recycling van zijn verpakkingen. Hoewel de verantwoordelijkheid bij het bedrijfsleven ligt, is de uitvoering mede afhankelijk van gemeenten. Voor de inzameling van verpakkingen ontvangen die gemeenten een vergoeding uit het Afvalfonds.
Het fonds draagt ook bij aan het Impulsprogramma voor het bestrijden van zwerfafval. Daaruit worden de activiteiten van de Stichting Nederland Schoon bekostigd. Jaarlijks stort het ministerie van VROM 115 miljoen euro in het Afvalfonds. Dat geld komt uit de belastingheffing voor producenten en importeurs van verpakkingen.
Klik hier voor meer informatie.
Gebruik weekmaker DIBP vanaf 1 juni sterk beperkt
Per 1 juni 2009 gaat een nieuwe Europese richtlijn in die het gebruik van diverse stoffen, waaronder de weekmaker di-iso-butyl-phthalaat (DIBP), sterk beperkt. Er geldt dan ook een zogeheten labelplicht voor preparaten, waaronder lijmen, die DIBP bevatten.
Van onschadelijk naar schadelijk
De weekmaker DIBP wordt in sommige lijmen gebruikt om de lijmfilm flexibeler te maken[1]. Het is een technisch additief waarmee een betere hechting wordt bereikt. Hoewel DIBP tot heden niet als schadelijke stof is aangemerkt, en zelfs FDA-goedkeuring heeft, waren er geruchten dat DIBP in de toekomst wel als schadelijke stof zou worden aangemerkt. De Europese Commissie heeft nu besloten om DIBP per 1 juni 2009 als schadelijke stof te classificeren [2,3]. De tijd tussen aankondiging en datum van ingang is helaas zeer kort!
Uitfasering DIBP in gang
In december 2008 riep de Federatie van Europese Fabrikanten van golfkarton FEFCO [4] alle golfkartonfabrikanten op om het gebruik van DIBP gefaseerd terug te dringen.
Alternatieven
De vervanging van DIBP voorkomt dat lijmen labelplichtig worden en de inzet van alternatieve weekmakers bereikt dat deze lijmen ook na 1 juni 2009 de geschiktheid voor indirect voedselcontact behouden.
______________________
Voetnoten:
[1] DIBP ofwel di-iso-butyl-phthalate (Engelse spelling) is een weekmaker die volop in inkten en lijmen gebruikt wordt.
[2] De nieuwe Europese richtlijn 2009/2/EC (alias 31st ATP) is een aanscherping van de gevaarlijke stoffen richtlijn [zie 3]. Diverse stoffen, waaronder DIBP, krijgen hierdoor per 1 juni 2009 een gevarenclassificatie.
[3] De richtlijn gevaarlijke stoffen, 67/548/EC (en latere aanpassingen) stelt dat een gevaarlijke stof moet worden voorzien van gevarensymbolen en R- en S-zinnen.
[4] De Federatie van Europese Fabrikanten van golfkarton (Corrugated board) riep op tot vrijwillig uitfaseren van DIBP, Klik hier voor het persbericht.
Bron: Pakblad
Bijeenkomsten
- SBO houdt op 29 mei 2009 in de Jaarbeurs Utrecht het Bodemenergie Congres met aandacht voor alles wat te maken heeft met het technisch en beleidsmatig realiseren van grootschalig gebruik van energie uit de bodem.