Afhankelijk van de herkomst en de toepassing van gebruikte frituurvetten en –oliën kunnen diverse onderdelen van wet- en regelgeving van toepassing zijn.
►Verordening (EG) Nr. 1774/2002
Deze zgn. Dierlijke Bijproductenverordening bevat bepaalde voorschriften voor (bepaalde categorieën) gebruikte frituurvetten en –oliën.
Hoewel frituurvetten en –oliën in Nederland hoofdzakelijk van plantaardige oorsprong zijn, geldt dit niet in alle EU-lidstaten. Mede daarom is besloten bepaalde categorieën gebruikte frituurvetten en –oliën onder de werking van deze verordening te brengen. Het betreft gebruikte frituurvetten en –oliën afkomstig van internationaal transport zoals uit kombuizen van zeeschepen (hier is de herkomst dus het criterium) en gebruikte frituurvetten en –oliën die worden toegepast in diervoeder dan wel een biogas- of composteerinstallatie (hier is de toepassing dus het criterium). Deze vetten mogen niet de bestemming diervoeder hebben.
De Europese Commissie is van plan bij de komende grootscheepse herziening van deze verordening ook gebruikte frituuroliën en –vetten die als grondstof voor biodiesel of biobrandstof voor energieopwekking worden toegepast onder de werkingssfeer van deze verordening te brengen. Hierdoor zullen ook voor deze stromen nog striktere eisen gaan gelden voor wat betreft hun traceerbaarheid en de administratie daarvan incl. binnen– en buitenlands transport.
Van de theoretische mogelijkheid om gebruikte frituurvetten en -oliën afkomstig van de levensmiddelenindustrie - na bewerking - in diervoeders toe te staan wordt in Nederland al enkele jaren geen gebruik gemaakt.
Het Productschap MVO zal in 2007 een verordening afkondigen om ook deze theoretisch nog toegestane stroom officieel te verbieden. Dit gebeurt enerzijds om het risico op bestemming in diervoeder van niet-toegestane gebruikte frituurvetten en -oliën tot nul terug te brengen, en anderzijds om de bedrijfspraktijk en de officiële controle daarop aanzienlijk te vereenvoudigen.
►Wet op de accijns
De Wet op de accijns regelt de heffing van verbruiksbelasting op verbruiksgoederen zoals bio(transport)brandstoffen. Over gebruikte frituuroliën en –vetten die als grondstof voor bio(transport)brandstoffen worden ingezet, hoeft geen accijns te worden betaald. Worden zij direct als (bio)brandstof ingezet, dan zijn zij wel accijnsplichtig. Ook het eindproduct biodiesel is aan accijnsheffing onderworpen. Bij toepassing voor elektriciteitsopwekking in installaties > 1 MW elektrisch vermogen kan de verbruiker teruggave krijgen van de accijns evenredig naar het aandeel elektriciteit dat op het openbare net wordt ingevoerd.
►Richtlijn 75/442/EEG
In deze zgn. Afvalstoffenrichtlijn staat omschreven als definitie van een afvalstof: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Deze definitie wordt uitgewerkt in bijlage I van de richtlijn en verder gespecificeerd in Beschikking 2000/532/EG. Op grond van de bepalingen in deze richtlijn en beschikking worden gebruikte frituuroliën en –vetten als afvalstoffen beschouwd.
In bijlage IIB van de Afvalstoffenrichtlijn worden verder de nuttige toepassingen omschreven. Hiertoe behoren onder meer inzet als brandstof of voor energieopwekking, recycling en/of terugwinning van allerlei nuttige componenten.
►Wet milieubeheer
De Wet milieubeheer biedt bedrijfsleven en overheid een kader voor wat betreft rechten, plichten, verantwoordelijkheden en bevoegdheden met betrekking tot milieuaspecten. In zijn algemeenheid schrijft het voor dat eenieder voldoende zorg voor het milieu in acht dient te nemen. Als typische kaderwet raakt de Wet milieubeheer aan verscheidene onderwerpen en omvat zij de implementatie van onder meer de Afvalstoffenrichtlijn. Bedrijven die potentieel milieubelastende activiteiten uitvoeren zijn verplicht een vergunning in het kader van deze wet, kortweg milieuvergunning, te bezitten.
Afgezien van de milieuaspecten waarmee de provinciale overheden rekening moeten houden bij het verlenen van een vergunning, biedt deze wet de overheid tevens aanknopingspunten om bedrijfsspecifieke eisen te stellen aan het energieverbruik en nadere regels te stellen aan de omgang met afvalstoffen.
►Verordening (EG) Nr. 259/93 (met ingang van 12 juli 2007 Verordening (EG) Nr. 1013/2006)
Deze Europese Verordening voor Overbrenging van Afvalstoffen (kortweg EVOA) is van toepassing op de overbrenging van onbehandelde gebruikte frituurvetten van de ene EU-lidstaat naar de andere. Zij bepaalt dat opgehaalde gebruikte frituurvetten en –oliën afvalstoffen zijn die op de zgn. groene lijst thuishoren (zie kaderstukje Groene vs. oranje lijst op pagina 2). Dit betekent dat het transport vergezeld moet gaan van documenten die aangeven om welke producten het gaat en die gegevens bevat van verzender, ontvanger en wijze van verwerking.
►Groene vs. oranje lijst
Ongeacht de herkomst vallen vanaf 12 juli 2007 alle gebruikte frituurvetten en –oliën onder de groenelijst-procedure van lijst B van bijlage IX van het Verdrag van Bazel. Code B3065 is hierop van toepassing: afval van spijsoliën en –vetten van dierlijke of plantaardige oorsprong (bijv. frituurolie), mits deze geen kenmerk van bijlage III vertonen. Dit houdt in dat de oranjelijst-procedure (kennisgevingsplicht) in aanmerking komt als afvalstoffen dermate met andere stoffen zijn verontreinigd dat zij gevaarlijke eigenschappen hebben en/of dat nuttige toepassing niet meer op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze mogelijk is. In de praktijk komt dit vrijwel niet voor.
Toezicht en handhaving
De controle op naleving van de wetgeving, het zgn. toezicht en handhaving, wordt met name uitgevoerd door de Voedsel en Waren Autoriteit. In geval er producten worden opgeslagen, verwerkt of geproduceerd, is tevens een milieuvergunning noodzakelijk die door de provincie wordt verstrekt en gecontroleerd op naleving. Ongereinigd gebruikt frituurvet staat geclassificeerd als een afvalstof. Bedrijven die deze gebruikte frituurvetten verwerken, worden juridisch gezien daarom als afvalverwerkers beschouwd.
Onderstaande instanties vervullen een rol in het systeem van toezicht en handhaving met betrekking tot gebruikte frituurvetten en –oliën.
Op de bedrijfslocatie
Voedsel en Waren Autoriteit (VWA)
De Voedsel- en Waren Autoriteit ziet toe op de naleving van de Dierlijke Bijproductenverordening. Indien zij onregelmatigheden constateert, kan zij de Algemene Inspectiedienst (AID) inschakelen.
Milieu-inspectie VROM
De VROM-inspectie controleert de naleving van de Europese Afvalstoffenrichtlijn en van de Europese Verordening voor Overbrenging van Afvalstoffen (EVOA).
Provincie
De provincie controleert de naleving van de voorschriften uit de milieuvergunning.
Belastingdienst
De Douane/belastingdienst controleert bedrijven die vetten en oliën als biobrandstof of biodiesel verkopen op bezit en naleving van de AGP-vergunning (accijnsgoederenplaats) en, waar van toepassing, op afdracht van accijns.
Bij het transport
Korps Landelijke Politiediensten (KLPD)
Het KLPD controleert transporten langs de weg onder andere op de naleving van de Europese Verordening voor Overbrenging van Afvalstoffen (EVOA).
Douane
De Douane controleert transporten aan de grens op het aanwezig zijn van de juiste documenten en het overeenkomen van lading en document.