Minister Huizinga van VROM is van plan het aandeel hernieuwbare energie de komende jaren te verhogen tot 5,5% in 2014. De bewindsvrouw schrijft dit in een brief aan de Tweede Kamer, waarin zij aangeeft hoe zij de Europese Richtlijn hernieuwbare energie gaat invullen.
Deze richtlijn verplicht de lidstaten tot een ophoging van het percentage hernieuwbare energie in de vervoerssector. In 2020 moet het aandeel hernieuwbare energie in het wegverkeer in elke lidstaat van de Europese Unie (EU) minimaal 10% bedragen. Zogenoemde tweede-generatie biobrandstoffen mogen hierbij dubbel worden geteld.
Om er zeker van te zijn dat de duurzaamheid is gegarandeerd, zal de minister het percentage de eerstkomende jaren met kleine stappen verhogen. Het verplichte aandeel hernieuwbare energie in brandstof in 2010 is 4%.
Het voorstel voor een stijging van het aandeel biobrandstoffen is als volgt:
- 2011: 4,25%
- 2012: 4,5%
- 2013: 5,0%
- 2014: 5,5%
In tegenstelling tot wat nu geldt, tellen vanaf 2011 alle vormen van duurzame energie mee (bijvoorbeeld ook duurzame elektriciteit voor elektrische auto's).
Huizinga vraagt aan de Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa (CDB) een verkenning uit te voeren of, en onder welke voorwaarden, het percentage van 10% hernieuwbare energie in 2020 hoger zou kunnen zijn. Duurzaamheid en kosteneffectiviteit vindt zij hierbij belangrijke randvoorwaarden.
De inzet van duurzame biobrandstoffen speelt een belangrijke rol in de transitie naar een CO2-arme energievoorziening. Voorwaarde is wel dat de biobrandstoffen die in Europa worden ingezet duurzaam geproduceerd moeten zijn. Zo moet de biobrandstof over de hele keten voldoende emissiereductie opleveren in vergelijking met fossiele brandstoffen, bij de productie mogen hoge koolstofvoorraden niet verloren gaan en de grondstoffen mogen niet afkomstig zijn van een land met een hoge biodiversiteit. Deze eisen worden in de Nederlandse regelgeving overgenomen en gelden met ingang van 2011.
Momenteel wordt een schot gehanteerd tussen de biobrandstoffen die benzine en diesel vervangen. In de huidige 4%-doelstelling voor 2010 moet minimaal 3,5% van de benzine met een bio-benzinevervanger (bijv. ETBE of ethanol) worden ingevuld. Een analoge aanpak geldt voor diesel. Dit schot wil de minister handhaven op het huidige niveau van 3,5%, ook bij een oplopende doelstelling. Het hanteren van dit schot heeft als voordeel dat er, ongeacht wisselende marktprijzen voor de ene of de andere vervanger, investeringszekerheid wordt geboden aan de markt, aldus de minister. Voorts wil de overheid daarmee de diversiteit van energiedragers vergroten. Doordat het schot op het huidige niveau wordt bevroren, wordt, met het stijgen van de doelstelling richting 2020, de "vrije ruimte" steeds groter. Alternatieven als elektriciteit en groengas kunnen zowel voor benzine als diesel ingezet worden.
Bedrijven waarop de verplichting rust voor het realiseren van de vervoersdoelstelling zijn de accijnsgoederenplaatshouders (AGP-houders) en enkele andere brandstofleveranciers die leveren buiten de AGP om. Deze verplichting geldt voor alle benzine en diesel van elke vorm van vervoer. De verplichting is daarmee breder dan tot dusver. Ook leveranciers van rode diesel voor bijvoorbeeld landbouwmachines en de binnenvaart vallen onder de verplichting.
Klik hier voor de brief aan de Tweede Kamer.
Klik hier voor het persbericht van VROM.
Klik hier voor meer informatie over de Intentieverklaring Rapportage Biobrandstoffen 2010.