English
 
 » Kernactiviteiten » Duurzaamheid » Biobrandstoffen » MVO Standpunt
 Duurzaamheid  
  
Productschap publiceert biobrandstoffenrapport 2009
 
 MVO standpunt biobrandstoffen  

De Nederlandse regering treft voorbereidingen voor de implementatie van Richtlijn 2003/30/EG. Deze richtlijn beoogt het gebruik van biobrandstoffen in het wegverkeer te stimuleren. De bedoeling is dat in 2005 2% en in 2010 5,75% van de markt voor transportbrandstoffen uit biobrandstoffen bestaat.

De markt voor transportbrandstoffen zal voor de EU-27 naar verwachting in 2010 ongeveer 322 miljoen ton bedragen (dieselmarkt: 180 miljoen ton; benzinemarkt: 142 miljoen ton). Als we een proportionele inbreng van bio-ethanol en biodiesel veronderstellen, is een productie van biodiesel van 10,4 miljoen ton en van bio-ethanol van 8,1 miljoen ton nodig. Voor Nederland komt dit neer op een biodieselproductie van 115.000 ton in 2005 en 330.000 ton in 2010.

Het Productschap Margarine, Vetten en Oliën (MVO) is van mening dat bij de introductie van biobrandstoffen in Nederland met de volgende aspecten rekening moet worden gehouden:

Industriebeleid

  • Nederland heeft een belangrijk agro-industrieel complex en, als onderdeel daarvan, een sterke infrastructuur voor de productie, verwerking en distributie van plantaardige oliën, dierlijke vetten en hun bijproducten, waarvoor de ontwikkeling van biotransportbrandstoffen van groot belang is. MVO pleit ervoor dat de overheid zo snel mogelijk vorm geeft aan een duidelijk en stabiel beleid, waarbinnen de ontwikkeling van en investering in de productie van biomassa en biobrandstoffen in Nederland mogelijk is. Zolang investeerders niet weten wat de overheid wel of niet als duurzaam beschouwt, hebben zij weinig langetermijnperspectief.
  • Voor de implementatie van Richtlijn 2003/30/EG dient een brede range aan oliën, vetten en bijproducten te worden ingezet ('multi sourcing option'). Tot nu toe wordt voor de Europese biodieselproductie hoofdzakelijk (80%) raapzaad als grondstof gebruikt. Gegeven de potentiële restricties aan de teelt van dit gewas dient voor de ontwikkeling van verschillende soorten biobrandstoffen van de eerste en de tweede generatie geen enkele grondstof nu of in de toekomst te worden uitgesloten.
  • Om concurrentievervalsing te voorkomen tussen nationaal geproduceerde biotransportbrandstoffen en geïmporteerde biotransportbrandstoffen waarvan de grondstoffen niet voldoen aan de duurzaamheidscriteria, moeten voor beide categorieën dezelfde duurzaamheidscriteria gelden.
  • Het is belangrijk dat marktverstoringen voor (delen van) de voedingsindustrie en de oleochemie worden geminimaliseerd. Daar de EU-doelstellingen erg ambitieus zijn, moet de productie van oliezaden worden gestimuleerd (geen verplichte braaklegging) en mogen er geen belemmeringen worden gehanteerd m.b.t. de import van grondstoffen en bijproducten.
  • Aangezien talloze oliën, vetten en bijproducten daarvan als grondstoffen voor biodiesel kunnen worden ingezet, dienen de Europese biodieselstandaarden hierop te worden afgestemd.


Duurzaamheidscriteria

  • Indien duurzaamheidscriteria worden gesteld voor de toepassing van biomassa en biotransportbrandstoffen dan moeten deze inhoudelijk en qua tempo van invoering aansluiten op Europese of internationale ontwikkelingen. MVO pleit voor het verduurzamen van de 'main-streams' van commodities ongeacht hun toepassing (food, feed, fuel). Indien voor een bepaald product internationale criteria bestaan die middels een multistakeholder dialoog tot stand zijn gekomen, pleit MVO ervoor dat deze worden overgenomen voor zover dezelfde terreinen beslagen worden (bijvoorbeeld door de RSPO-criteria). De eis dat plantages niet in of in de directe nabijheid van 'gazetted protected areas' of gebieden van 'High Conservation Value' mogen zijn geplaatst, is niet in lijn met de RPSO Principles & Criteria en daarom niet aanvaardbaar.
  • Het ontwikkelen van duurzaamheidscriteria moet passen binnen de internationale handelsafspraken (WTO).


Certificatie

  • De duurzaamheidscriteria moeten controleerbaar en certificeerbaar zijn. Voor het ontwikkelen van certificatie- en verificatiesystemen moet worden aangesloten bij wat internationaal op dat vlak reeds is of nog wordt ontwikkeld. Een eis van 100 % traceerbaarheid sluit op dit moment niet aan bij wat op internationaal vlak wordt ontwikkeld.
  • Voor de invulling van verschillende criteria wordt gedacht aan een rapportageverplichting. MVO waarschuwt voor een te zware lastendruk verbonden aan deze rapportages. Op dat vlak ziet MVO graag dat aangesloten wordt bij bestaande nationale en internationale initiatieven. MVO ziet graag dat dit gebeurt op basis van wetenschappelijke analyses en is graag betrokken bij de verdere invulling.


Reststromen

  • Voor het gebruik van reststromen die anders vernietigd moeten worden, zouden de duurzaamheidscriteria niet moeten gelden. Het gebruik van deze producten is vaak inherent duurzaam omdat deze stromen anders vernietigd moeten worden.


Met betrekking tot de CO2-balans en het vaststellen van emissiereductiepercentages is MVO van mening dat het voorbarig is om reeds een percentage vast te stellen als de berekeningswijze nog niet eenduidig is vastgesteld. Graag wordt MVO betrokken bij vervolgbesprekingen over dit onderwerp.

Het Productschap MVO vertegenwoordigt de oliezadencrushers, de producenten van dierlijke vetten, de verwerkers van plantaardige oliën en dierlijke vetten, de oleochemische industrie, de producenten van margarines en sauzen en de bedrijven die in genoemde producten handelen.

Het productschap dringt er bij de Nederlandse regering op aan snel te beslissen over de implementatie van Richtlijn 2003/30/EG. In EU-landen waar reeds duidelijkheid is geschapen over het nationale beleid, groeit de biodieselproductiecapaciteit al geruime tijd.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Frans Claassen (tel 070-3195103).


 Afdrukken